Blog

door Ido Borkent

 

'Survival of the fittest

17 december 2018

Dankzij allerlei bewegingen in ons zonnestelsel is er op onze plek op de aarde een grote variatie in weer en klimaat. De aarde draait om zijn as: dag en nacht. De wat scheefstaande aarde draait daarbij om de zon: zomer en winter. De aarde schommelt een beetje om zijn as: klimaatverschillen en ijstijden. De maan draait om de aarde: eb en vloed. Ik laat allerlei mogelijke effecten van kosmische straling maar even buiten beschouwing. En dan natuurlijk nog de geologisch actieve aarde zelf, met vulkanen, aardbevingen, bergketens en schuivende continenten. Erosie en sedimentatie. Dat alles schept problemen, maar ook kansen voor planten en dieren.

Op de foto (bron Ravon.nl) een nog jonge Alpenwatersalamander, wellicht op zoek naar een overwinteringsplekje ergens onder het gevallen herfstblad.

 

Ik denk zelfs dat die miljarden jaren durende evolutie wellicht alleen mogelijk is geweest door juist deze variatie. Zo ontstonden er veel verschillende plekjes, waar een soort (of eigenlijk een zich ontwikkelende soort) zich kon specialiseren. En door die specialisatie kansen had op overleving. Zo’n plek heet in ecologisch jargon een niche, spreek uit: ‘niesje’. Dat kan een plek zijn, zoals een leefgebied met ondiep zoet water en door de zon beschenen zandige graslandjes. Maar het kan ook een eigenschap zijn zoals vorstbestendigheid, of de kennis om een vorstvrije plek te vinden.

Ik noem deze voorbeelden natuurlijk niet voor niets. Ook in de ecologische verbindingszone in Westrik is in de loop van het jaar een grote veranderlijkheid waar te nemen. ’s Zomers droog, in de herfst nat, in de winder koud en bevroren, in het voorjaar opeens warm en nat. Je moet als plant of dier wel ergens tegen kunnen. Hoe wapenen twee belangrijke toekomstige gebruikers zich hier eigenlijk tegen?

Eerst maar even mijn geliefde Alpenwatersalamander. Vorst overleeft de soort niet. Vorstvrije ruimtes zijn in de winter dus onontbeerlijk: muizenholen, gaten in boomstobben, spleten in hout, onder stenen (in de geluidswal) en afvalhopen, soms ook in kelders. Dit is een aanbeveling om een rommelhoekje in de tuin te maken. Het landschap moet ook wel een beetje droog en iets warmer zijn. In Nederland komt de soort niet ten noorden van de Maas voor, op een enkele uitzetting na door zogenaamde amfibie-liefhebbers. Laaggelegen klei- en veengebied wordt gemeden. Te lang koud en nattig, denk ik. Dat is weer geen probleem voor de veel algemenere gewone watersalamander.

De Vinpootsalamander, met een vrijwel hetzelfde verspreidingsgebied als de Alpenwatersalamander, overwintert juist wél in het water. Een koudbloedig dier, kan dus natuurlijk ook, als het maar niet bevriest. Dus dieper water, zoals de beide poelen langs de moeraszone.

Beide tactieken zijn dus een goed plan, maar tegelijkertijd een groot risico. Toch nog een voorbij zwemmende otter, of een dagje te strenge vorst is zomaar mogelijk. Wat dat laatste betreft lijkt de overlevingskans wel wat toe te nemen met de vliegtuigbewegingen die we zelf maken. Zonnepanelen helpen hier niet (grapje). Altijd goed, die panelen. En vliegen is een keuze.

Overigens is de kans dat dieren de winter overleven niet heel groot. Met ongeveer honderd larven per jaar per paartje, en een geschatte maximale leeftijd van 5-10 jaar is sterfte de regel: predatie, verdroging en bevriezing. Anders hadden we natuurlijk ernstig last van salamanderplagen. En gelukkig vallen al die dode salamanders niet zo op, zoals met grotere zoogdieren in de Oostvaardersplassen dat wel het geval is. Voor salamanders geldt echt de ‘survival of the fittest’ (de best aangepasten, zeg ik er maar even bij, niet de sterksten!). De grote motor achter evolutie.

De herfst is de periode dat de salamanders zich moeten gaan voorbereiden op hun winter. Nog een laatste slakje, larf of een dode mug, en dan maar wat zoeken. Zouden ze ’s zomers al selecteren op mogelijke plekken? Of gaan ze min of meer random op zoek? Ook zo’n raadsel. In ieder geval zijn herfst en winter voor salamanders een extra risicovolle periode. Misschien even aan denken tijdens uw kerstvakantie, wanneer we lekker warm achter het dubbele vensterglas over de bevroren verbindingszone uitkijken.

 

'Moet je nog hooien?'
13 september 2018

Ja, dat zeg je wellicht nog tegen een ouder iemand die nergens tijd voor lijkt te hebben. Gedateerd natuurlijk, want wie hooit er nog? En wie begrijpt dan nog de druk die dat vroeger op het platteland met zich meebracht? Iedereen moest natuurlijk hooien, tegelijkertijd, dus er was te weinig menskracht en geen tijd voor iets anders. Lange dagen in de hitte, onweer komt eraan maar wanneer precies, en achteraf blij dat het gelukt was. Van een goede hooioogst hing het voortbestaan van je boerenbedrijfje af.

Hooiland is een vorm van grasland, vaak op vochtiger bodems, maar ’s zomers net droog, en onbemest. Denk even 150 jaar geleden. Er was nog geen kunstmest en ook nauwelijks ontwatering. Een boerderij was 2-5 koeien groot. In het grasland kort bij huis werden koeien ingeschaard (het weiland dus). Dat werd ook met stalmest van voedsel voorzien en de verderop gelegen graslanden werden gehooid. En nauwelijks bemest, want er was geen mest en het was domweg te ver.

In dat soort graslanden doet zich de bijzondere situatie voor dat er in de bodem voedselschaarste heerst. Dat kan je je nu haast niet meer voorstellen met ons beeld van glimmend groene productiegraslanden en mestoverschotten. Die voedselschaarste kwam vanwege de natuurlijke voedselarmoede: weinig fosfaat, weinig nitraat, weinig kalium, meestal klein beetje calcium. In die natuurlijke situatie zijn grassoorten nauwelijks een voedselconcurrent van veel graslandkruiden; bekende soorten zoals boterbloem, paardenbloem, margriet, veldzuring. Grassen zijn meestal in staat van een kleine bemesting snel te profiteren en concurreren dan genadeloos de kruiden aan de kant. Dat werkt ook andersom trouwens. De bodem wat uitputten (verschralen) bevordert vaak weer het aandeel kruiden.

 

 

Dat type hooiland zag er natuurlijk geweldig uit, met elke paar weken een ander aspect. Dan weer paardenbloem, dan weer margriet, dan weer klaver; enzovoort. Telkens ook een andere insectensoort die van deze planten leeft. Insecten zijn weer voedsel voor vogels en amfibieën, zoals bijvoorbeeld de alpenwatersalamander. Ik noem maar wat. Het basismodel hooiland heeft dus al een veel grotere biodiversiteit aan soorten dan welk agrarisch grasland heden ten dage dan ook. In oude hooilanden kunnen onder specifieke omstandigheden ook veel zeldzame soorten voorkomen, zoals orchideeën.

In tegenstelling tot een kruidenruigte wordt hooiland wel beheerd. Doorgaans wordt er twee keer per jaar gemaaid. Het gewas is dan lang en bestaat uit bloeiende grassen kruiden. Traditioneel in juni, de hooimaand, en in september. Door het langere droogproces blijven veel zaden achter, waardoor ook eenjarige soorten zich blijvend vestigen. Na veel keren en verder drogen werd het maaisel, dan inmiddels kruidenrijk hooi, op het zwad gewerkt en op de hooiwagen geladen en afgevoerd. Als oogstperiode had je 1-2 weken nodig.

 

 

Die oogst houdt de bodem schraal. Daar waren de boeren vroeger niet echt op uit, voor ons is het juist de bedoeling. Zo houden we de soortenrijkdom in stand. Overigens werd er af en toe wel eens wat mest of slib uitgestrooid. Het moet ook niet al te voedselarm worden.

In de ecologische verbindingszone in Westrik gaan we hooiland maken. De al te voedselrijke bovengrond gaat eraf, en we zaaien in met lokaal ‘natuurhooi’ in. Dan maar kijken wat het gaat worden. Spannend, maar na een paar jaar hebben we al een heel goed resultaat durf ik te voorspellen. Gelukkig gaat de gemeente Breda het straks maaien en afvoeren. Dat zware werk hoeven we in ieder geval niet te doen. Laten wij maar genieten van de bloemen en de vlinders.

 

 

Ido


De natuur als je buur
30 mei 2018

De meeste mensen in Nederland wonen in een stad. Daar was voorheen nou niet bepaald veel natuur aan te treffen. Er is wel veel aandacht voor inmiddels. Maar ja, van aandacht alleen eet je geen brood. Er moet dus wat gebeuren. Want in grote lijnen gaat het met de natuur in Nederland niet zo goed. Vooral het platteland loopt klappen op. Denk bijvoorbeeld aan de enorme achteruitgang van het aantal weidevogels. En recent zijn de problemen over de insectensterfte vaak in het nieuws geweest.

Het positieve is natuurlijk wel dat er altijd wat aan gedaan kan worden. Dat gaan wij hier in Westrik ook doen. Dat is niet alleen leuk voor onze levende natuur, maar vooral ook voor de bewoners die een natuurterrein voor eigen gebruik naast hun tuin krijgen. In natuurtechnische termen heet zo’n natuurterrein een Ecologische Verbindings Zone, een EVZ. Door de omstandigheden in het terrein zodanig te prepareren dat er biotoop voor bepaalde planten- en diersoorten gaat ontstaan, kunnen deze zich verplaatsen, en hun populaties uitbreiden. Dat maakt soorten altijd minder kwetsbaar.

De verbindingszone aan de zuidzijde van het plan is in eerste instantie ontworpen voor twee bijzondere Zuid-Nederlandse salamandersoorten: de Alpenwatersalamander en de Vinpootsalamander. Door plasjes, stukjes moeras en bloemrijk grasland aan te leggen kunnen deze dieren vanuit het vochtige Liesbos Prinsenbeek weer in. En zo ontwerpende bedachten we dat het geluidsscherm daarin geïntegreerd zou moeten worden. Dat biedt zoveel extra kleinschalige structuur, tenminste als je er geen betonnen muur van maakt. Nu komen daar extra schanskorven met kalkrijk puin, meerdere steenstapels, grote steunberen, kleine en grote nestkastjes, vleermuiszomerkasten, vleermuiskelders, en verder allerlei losse en vaste houtstapels, grondbergen en insectenhotels. Een groene muur dus. Powerplay voor de natuur!

Maar wat is nou eigenlijk natuur? In principe alles wat buiten spontaan gebeurt. Wij helpen hier even een handje. Dan schiet het wat meer op. Jij als bewoner kunt er exclusief van genieten. Kost je verder niets en het onderhoud wordt door de gemeente uitgevoerd. Loop er straks eens doorheen, ga in de schaduw van een boompje zitten en geniet van kleinschalige natuur. Vang een kikker met je kinderen. Pluk een bloem. Kijk naar de vlinders of ’s avonds naar de vleermuizen. Het leven is goed in Westrik

 

 

 

 

Appel, peer en kers maken Westrik

extra mooi
19 september 2017

Ido Borkent van Bosland Adviesbureau is nauw betrokken bij de landschappelijke ontwikkeling van Westrik. De natuur staat centraal met onder andere fruitbomen, die straks een centrale plek zullen krijgen in de wijk. Hij legt graag uit waarom.

 “Het prima imago van de fruitboom is ‘m altijd komen aanwaaien. Nou, niet letterlijk natuurlijk, maar het is een thuiswedstrijd: een boom is natuur, fruit is gezond, en één en één is drie. Hoera voor de appel, de peer, de kers en de pruim. We beperken ons hier maar even tot het Nederlandse sortiment. Het grappige van dit imago is het feit dat bijna iedereen wel weet hoe die vruchten er uitzien, maar bomen op zich niet herkennen. Ja, ze bloeien in het voorjaar. Klopt. De Betuwe staat er vol mee. Helaas. Je hebt ook een soort van kleine boompjes, die laagstammen heten. Klopt ook. Maar dan…”

Het is natuurlijk aan het blad te zien, en aan de vorm van de boom, en dat is even oefenen. Maar aan de bloei is het heel gemakkelijk te zien. Het is even een weetje. Ik ga dat uitleggen. Als eerste bloeit de kers. Begin april, helder wit, gelijk met het uitlopen van het blad. Meestal met fris weer. Twee weken later volgt de peer. De bomen zijn dan al uitgelopen, maar de romig witte, dicht opeen staande bloemen zien er dan prachtig uit. Er zijn al mooie dagen. En dan, begin mei, bloeien de appels. Wit met een flinke scheut roze. Heerlijk meiweer, al bijna warm. Als je dit even één voorjaar volgt dan herken je het buiten overal. Kennis waar je blij van wordt. O ja, en ook nog even iets voor de economen onder ons. Die gefaseerde bloei is nuttig om concurrentie te vermijden. Op de markt van de bestuivers wel te verstaan: honingbijen, wilde bijen en hommels. Die kunnen ook niet alles tegelijk afhandelen. En bovendien is het ook wel eens slecht of koud weer. Dan vliegen deze koudbloedigen niet. Boven de 14 graden vliegt alles, en vaak zijn één of twee dagen voldoende om de klus te klaren. En zo heeft elke soort zijn niche gevonden. Dat had Darwin goed gezien, het overleven door aanpassing van soorten. Nu u nog. Kijk straks, als het weer voorjaar wordt, maar eens op Westrik. Daar staan een appel, een peer en een kers. Herkent u ze?”